Dutch: hebben

Dutch verb 'hebben' conjugated in all tenses

Bookmark and Share

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hebben
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hebbend
Past participle - Verleden deelwoord: gehad

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikheb
jijhebt
hijheeft
wijhebben
julliehebben
zijhebben

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehad
jijhebt gehad
hijheeft gehad
wijhebben gehad
julliehebben gehad
zijhebben gehad

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhad
jijhad
hijhad
wijhadden
julliehadden
zijhadden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehad
jijhad gehad
hijhad gehad
wijhadden gehad
julliehadden gehad
zijhadden gehad

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hebben
jijzult hebben
hijzal hebben
wijzullen hebben
julliezullen hebben
zijzullen hebben

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehad hebben
jijzult gehad hebben
hijzal gehad hebben
wijzullen gehad hebben
julliezullen gehad hebben
zijzullen gehad hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hebben
jijzou hebben
hijzou hebben
wijzouden hebben
julliezouden hebben
zijzouden hebben

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehad hebben
jijzou gehad hebben
hijzou gehad hebben
wijzouden gehad hebben
julliezouden gehad hebben
zijzouden gehad hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijheb


!

Verbs conjugated like hebben

hebben, liefhebben,

Translations

Dutch verb "hebben"

Auxiliary used in forming the perfect and the past perfect tenses

Engage in sexual intercourse with

To possess

3 translations found.

Additional Information