Dutch: faren

Dutch verb 'faren' conjugated in all tenses

Bookmark and Share

The verb does not exist or it is unknown for Verbix. If possible, Verbix tries to conjugate it.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: faren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: farend
Past participle - Verleden deelwoord: gefaard

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfaar
jijfaart
hijfaart
wijfaren
julliefaren
zijfaren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefaard
jijhebt gefaard
hijheeft gefaard
wijhebben gefaard
julliehebben gefaard
zijhebben gefaard

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfaarde
jijfaarde
hijfaarde
wijfaarden
julliefaarden
zijfaarden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefaard
jijhad gefaard
hijhad gefaard
wijhadden gefaard
julliehadden gefaard
zijhadden gefaard

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal faren
jijzult faren
hijzal faren
wijzullen faren
julliezullen faren
zijzullen faren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefaard hebben
jijzult gefaard hebben
hijzal gefaard hebben
wijzullen gefaard hebben
julliezullen gefaard hebben
zijzullen gefaard hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou faren
jijzou faren
hijzou faren
wijzouden faren
julliezouden faren
zijzouden faren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefaard hebben
jijzou gefaard hebben
hijzou gefaard hebben
wijzouden gefaard hebben
julliezouden gefaard hebben
zijzouden gefaard hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfaar


!