Dutch: bijten

Dutch verb 'bijten' conjugated in all tenses

Bookmark and Share

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bijten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bijtend
Past participle - Verleden deelwoord: gebeten

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbijt
jijbijt
hijbijt
wijbijten
julliebijten
zijbijten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebeten
jijhebt gebeten
hijheeft gebeten
wijhebben gebeten
julliehebben gebeten
zijhebben gebeten

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeet
jijbeet
hijbeet
wijbeten
julliebeten
zijbeten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebeten
jijhad gebeten
hijhad gebeten
wijhadden gebeten
julliehadden gebeten
zijhadden gebeten

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bijten
jijzult bijten
hijzal bijten
wijzullen bijten
julliezullen bijten
zijzullen bijten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebeten hebben
jijzult gebeten hebben
hijzal gebeten hebben
wijzullen gebeten hebben
julliezullen gebeten hebben
zijzullen gebeten hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bijten
jijzou bijten
hijzou bijten
wijzouden bijten
julliezouden bijten
zijzouden bijten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebeten hebben
jijzou gebeten hebben
hijzou gebeten hebben
wijzouden gebeten hebben
julliezouden gebeten hebben
zijzouden gebeten hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbijt


!

Translations

Dutch verb "bijten"

To bite a baited hook or other lure

To cut off a piece by clamping the teeth

2 translations found.

Additional Information