Dutch: zijn

Dutch verb 'zijn' conjugated in all tenses

Bookmark and Share

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zijn; wezen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zijnd
Past participle - Verleden deelwoord: geweest

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikben
jijbent
hijis
wijzijn
julliezijn
zijzijn

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben geweest
jijbent geweest
hijis geweest
wijzijn geweest
julliezijn geweest
zijzijn geweest

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwas
jijwas
hijwas
wijwaren
julliewaren
zijwaren

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas geweest
jijwas geweest
hijwas geweest
wijwaren geweest
julliewaren geweest
zijwaren geweest

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zijn; wezen
jijzult zijn; wezen
hijzal zijn; wezen
wijzullen zijn; wezen
julliezullen zijn; wezen
zijzullen zijn; wezen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geweest zijn
jijzult geweest zijn
hijzal geweest zijn
wijzullen geweest zijn
julliezullen geweest zijn
zijzullen geweest zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zijn; wezen
jijzou zijn; wezen
hijzou zijn; wezen
wijzouden zijn; wezen
julliezouden zijn; wezen
zijzouden zijn; wezen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geweest zijn
jijzou geweest zijn
hijzou geweest zijn
wijzouden geweest zijn
julliezouden geweest zijn
zijzouden geweest zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijwees


!

Verbs conjugated like zijn

wezen, zijn,

Translations

Dutch verb "zijn"

Auxiliary used in forming the perfect and the past perfect tenses

Be equipped with

Be exhausted, finished, ready

  • English: do.

Be in a specific direction

Be the property of

Elliptical form of "be here", or similar

  • English: be.

Exist

  • English: be.

Occupy a place

  • English: be.

Occur, take place

  • English: be.

Used to connect a noun to an adjective that describes it

  • English: be.

Used to indicate age

  • English: be.

Used to indicate height

  • English: be.

Used to indicate temperature

  • English: be.

Used to indicate that the subject and object are the same

  • English: be.

Used to indicate that the subject has the qualities described by a noun or noun phrase

  • English: be.

Used to indicate that the subject plays the role of the predicate nominative

  • English: be.

Used to indicate time of day, day of the week, or date

  • English: be.

Used to indicate weather, air quality, or the like

  • English: be.

18 translations found.